Zuivering NSF duurde een jaar

Geplaatst op ma 17 april 2017 in Geschiedenis • bijgewerkt op vr 30 juli 2021 • 4 min leestijd    

Het mag een wonder heten dat de NV Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) in Hilversum na de oorlog een nieuwe start heeft kunnen maken. De fabriek was door de bezetter en ’foute’ Nederlanders leeggeplunderd. Toch wisten eigenaar Philips en de NSF-directie de onderneming binnen twee jaar weer op poten te krijgen. Maar eerst diende het personeel te worden gezuiverd.

Het beoordelen van de ruim tweeduizend personeelsleden van de NSF op hun gedrag tijdens de bezetting is een heidens karwei geweest. De fabriek had tijdens de oorlog voor de Duitsers moeten werken. De NSF was de grootste particuliere werkgever in Hilversum. Met de zuivering na de oorlog was zowel haast als zorgvuldigheid geboden. Dat bleek in de praktijk een lastige combinatie. Het scheiden van ’bokken en geiten’ heeft een jaar in beslag genomen.

Al op 24 mei 1945, dus binnen drie weken na de komst van de (Canadese) bevrijders, startte de NSF-directie onder leiding van directeur Jan Gieskes het zuiveringsproces met de oprichting van een Commissie van Onderzoek (CvO). Deze telde twaalf personen, die het volle vertrouwen van de directie genoten. Hun loyaliteit aan het bedrijf, ’moeder’ Philips en het vaderland stond buiten kijf. Voorzitter van de onderzoekscommissie was ir. Chr. Hensen. Dit gezelschap ging na de bevrijding vrijwel direct op zoek naar wat directeur Gieskes de onvaderlandschlievenden noemde.

Klikken

Het eerste probleem voor de commissie-Hensen was de vraag welke methodiek de onderzoekers moesten volgen. Aanvankelijk gingen ze er van uit dat ieder personeelslid, dat uit eigen waarneming kennis had van fout gedrag van een ander (of anderen) in de fabriek tijdens de bezetting, die kennis zou willen melden bij de commissie. Het melden was geen klikken, benadrukte de CvO, maar meewerken aan de waarheidsvinding. Op dezelfde wijze had moederconcern Philips in Eindhoven, dat al acht maanden eerder door de geallieerden was bevrijd, het eigen personeel tegen het licht gehouden. De NSF-directie hield het personeel via een onregelmatig verschijnend mededelingenblad op de hoogte van de ontwikkelingen.

Maar de oproep van de directie om de namen te noemen van degenen, die in het bedrijf voor de bezetter hand- en spandiensten hadden verleend of erger, had weinig effect. Bijna niemand bleek bereid om voor de commissie als getuige naar voren te treden en te vertellen wat hij of zij wist, en over wie. Onderzoek leerde dat men in zeer vele gevallen wel grieven tegen bepaalde personen had, maar dat niemand als aanklager wilde optreden. Daarbij zullen angst- en schuldgevoelens een rol hebben gespeeld.

De directie en onderzoekers gingen het anders doen: iedereen werd bij de commissie ontboden en direct bevraagd over de afdeling, waar men had gewerkt. Die opzet lukte beter. Er kwam zo een hoop informatie los over lieden, die de bezetter ter wille zouden zijn geweest. Dat moest dan verder worden onderzocht. Bepaalde namen kwamen steeds terug. Die personen werden daarna gericht aan de tand gevoeld. Zo ontstond er binnen enkele maanden een vrij nauwkeurig beeld.

Jatfluit

De NSF was in mei 1940 door de Duitse troepen razendsnel bezet. In de fabriek werden radio’s en zendapparaten gemaakt: strategische goederen. De NSF was voor de Duitsers van eminent belang. Om vat te krijgen op het bedrijf stelden zij boven directeur Jan Gieskes nog een eigen opperbaas aan - aanvankelijk zelfs twee - de Verwalter. Deze moest er op toezien dat de productie ’gewoon’ doorging, zij het dat de fabriek nu orders voor onder andere de Wehrmacht diende uit te voeren. Het NSF-personeel werd geacht te gaan werken voor de vijand. Daar had niet iedereen zin in. Sterker: het personeel deed al het mogelijke om zand in de Duitse machine te strooien. Men traineerde waar mogelijk. Orders kwamen niet af, onderdelen van zenders en ontvangers verdwenen uit de fabriek en er was sprake van sabotage. Een favoriet moment om waardevolle onderdelen voor radio- en zendapparatuur achterover te drukken was de jatfluit. Zo noemden de werknemers de alarmsirene die afging wanneer een luchtaanval dreigde. Werknemers konden dan van de chaos gebruik maken.

De twee aangestelde Verwalter - Otto Merkel en dr. Otto Bormann - wilden of konden hier niet keihard tegen optreden. Ze hadden het personeel - technische specialisten op hun gebied - hard nodig. Probleem voor onder anderen de ’jatters’ was dat een aantal personeelsleden lid was van de nationaalsocialistische NSB of een andere pro-Duitse organisatie. Die zouden informatie over mogelijke smokkelacties kunnen doorgeven. Bovendien liepen er op het fabrieksterrein leden van de Werkschutz rond, gewapende Duitse - en later ook Nederlandse - fabrieksbewakers.

Februaristaking

Het passieve en actieve verzet in de fabriek groeide, vooral na de grote confrontatie rond de Februaristaking in 1941, waarbij het actievoerend NSF-personeel in Hilversum ook nog andere bedrijven op sleeptouw nam. Ook pakten de Duitsers in de fabriek of thuis de eerste mannen op die verdacht werden van verzetswerk.

De bezetter stelde in augustus 1942 een nieuwe Verwalter aan, een keiharde deze keer: de fanatieke nazi dr. Ludwig Nolte. Maar het smokkelwerk vanuit de fabriek ging ondanks onderdrukking en toenemende terreur door. Eind 1943 wisten NSF-ers voldoende spullen naar buiten te smokkelen waarmee voor de Raad van Verzet een dertigtal radiozendontvangers gebouwd konden worden. Via die apparatuur legde het verzet vanuit locaties in Hilversum in 1944 contact met de vanuit het zuiden naderende geallieerden.

Het zuiveringsonderzoek na de bevrijding had serieuze gevolgen voor 109 personen. Die werden wegens onvaderlandschlievend gedrag ontslagen. Nog eens 37 personen kregen een schorsing of een officiële berisping. Wie had gewerkt voor de Deutsche Wehrmacht, SS, NSKK (transport), Landwacht, WA en NSB kwam er niet meer in. Heel soms liet de directie genade voor recht gelden.

Aan de zijde van het voor het verzet werkende NSF-personeel vielen tijdens de bezetting 34 doden. Veel wegen en straten in de na-oorlogse wijk Noord zijn naar hen vernoemd.

Twee Duitse bewakers bij de NSF rond de kerstdagen

Twee Duitse bewakers bij de NSF rond de kerstdagen.

(Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen eerder in het Hilversums Historisch Tijdschrift.)

Dit artikel maakt deel uit van de Bevrijdingsbijlage van De Gooi- en Eemlander zaterdag 22 april.

Lees meer over NSF Hilversum WOII